Hij wankelde.
Een man die mij tegemoet liep.
Gaat ā€˜t, vroeg ik.
Ja hoor, niks aan de hand, zei hij.
Ik liep een beetje te dromen.
Oh, ok, dus ik hoef mij geen zorgen te maken?
Nee hoor, en hij lachte.
Medemenselijkheid, dacht ik.
Toch goed van mezelf.
Het was een kleine moeite.
Het stelde niks voor.
Misschien was het niet eens nodig geweest.
Ik zag sowieso wel dat het ging.
Hij redde zich wel.
Waar kwam dat dan vandaan.
Die overbezorgdheid.
Was het geen aanstellerij.
Van mijn kant.
Die man te willen helpen.
Wilde ik soms een goed mens zijn?
Toch zag ik dat hij het wel op prijs stelde.
Hij keek er zelfs vanop.
Het kan dus nog.
Zoiets leek hij te denken.
In zijn onderbewuste.
Afgaande op die tevreden blik.
Die ik even later in zā€™n ogen zag.
Wederom kijkend naar de lucht.
Naar wolken die voorbijdreven.
De mens is zo slecht nog niet.
Ik deed een in ieder geval een poging.
En droeg op mijn manier een steentje bij.