Ik hield mij aan de reling vast.
Zocht steun.
Lopen ging niet meer.
Zelfs zwalken was te veel gevraagd.
Mij eigen staande houden.
Daar ging het slechts nog om.
Ik heb het over die hekken.
Bij de Prinsenbrug.
Ik kon niet meer op mijn benen staan.
Waar was ik in godsnaam geweest?
En waar moest ik naartoe?
Waar woonde ik ook alweer?
Bij haar was ik weg.
Dat wist ik nog.
In een kamer woonde ik ook niet meer.
Dat was gelukkig ook verleden tijd.
Maar waar verbleef ik dan?
Een flat?
Een betonnen vloer?
Ik probeerde het mij voor de geest te halen.
Daarin dwarsgezeten door de eerdere indrukken van die avond.
De nacht met z’n gekkigheden.
Zij die mij bij mijn kruis greep.
Hij die hetzelfde deed.
Of droomde ik dat nou?
We vielen in slaap.
Zagen het licht worden.
Het ochtendblauw.
Ik maakte dat ik wegkwam.
Kroop letterlijk over straat.
Zag de eerste kerkgangers.
Zij schreden voort.
Zonder mij de weg te wijzen.
