Het was allemaal decor.
Waar ik gisteren was.
Ik nam een duik in mijn verleden.
De kroeg.
Ik zag een vriend.
Ja, dat is hij nog.
Ik zei ga beeldhouwen.
Ga weg hier.
Dat zei ik niet.
Maar dat wilde ik zeggen.
Ga mooie dingen maken.
Dat dacht ik.
Hij wees naar wat mensen.
Niet wijzen, zei ik.
Nooit wijzen.
Daar staat de doodstraf op.
Hij wees toch.
Zij het wat aarzelend.
In de hoek stond een groepje mannen.
Ik had er zelf tussen kunnen staan.
Maar mijn leven liep anders.
Ik bekeek de boel nu op een afstand.
Alsof ik in de zaal zat.
In een lekkere stoel.
Mijn vriend begon te zeuren.
Te zaniken.
Zoals ik hem kende.
Over wat ze hem hadden aangedaan.
Die gasten.
Die kerels daar.
Ik keek.
Zag ze onze kant op kijken.
We gingen over de tong.
Nou gaan we het krijgen, dacht ik.
Nu begint het gelazer.
Er gebeurde niet veel.
Wat boze blikken.
Meer niet.
Het was allemaal decor.
Waar ik gisteren weer eens was.
Een zaak vol figuranten.
De hoofdrol was voor niemand weggelegd.
