Ik liep langs een bosje.
Oh ja, dacht ik.
Zo’n bosje.
Waar ik weleens speelde.
Als kind.
Niet specifiek dat bosje.
Dit was een ander bosje.
Maar het was net zo’n bosje.
Het had dat bosje kunnen zijn.
Bij wijze van spreken.
Een bosje wat er niet toe deed.
Een vergeten bosje.
Waar iedereen aan voorbij ging.
Niet bij stilstond.
Afijn, ik had ’t erover.
Met een kennis van hier.
En hij vroeg over welk bosje ik het dan had?
Nou, dat bosje.
Bij die flats daarzo!
Oh, zei ie.
Dat bosje!
Het vieze bosje?
Ja, zei ik.
Of althans.
Ik kon mij dat voorstellen.
Dat ’t zo genoemd werd.
Want wij noemde het ook zo.
Destijds.
Het bosje waar iets gebeurde.
Je wist alleen niet wat.
Een bosje met een parkeerplaats.
De auto’s reden af en aan.