Ik had de lift kunnen nemen.
Maar ik nam de trap.
De lift had makkelijker geweest.
Vanzelfsprekend.
Alleen er stond iemand in.
Ik had meegekund.
Hij hield zelfs de deur nog voor mij open.
Nee, ik neem de trap wel, zei ik.
En daarbij kijkend alsof het een peulenschil was.
Nou was het dat ook wel.
Naar de tweede verdieping slechts.
Maar het ging mij om iets anders.
Ik wilde niet met die man in de lift.
En dat lag aan mij.
Niet aan die man.
Die man die was zich van geen kwaad bewust.
Het zal wel, dacht hij.
En drukte vervolgens op het knopje om de deur te sluiten.
Echter, toen kwam het eropaan.
De zenuwen gierden door mijn lichaam.
Wie was er als eerste boven?
Hij moest er ook op de tweede uit.
Dat wist ik.
Daar kende ik ‘m van.
Hij woont op dezelfde verdieping.
Dus het zou erom gaan spannen.
Ik sjeesde de trap op.
Ik moest en ik zal er eerder zijn hij.
Al was het alleen maar om hem niet opnieuw onder ogen te hoeven komen.
Dat had dan ook weer zo lullig geweest.
Nou was ik hem natuurlijk geen verklaring schuldig.
Waarom ik de trap nam.
En niet de lift.
Dat zijn mijn eigen zaken.
Dat gaat hem verder niks aan.
Maar ik was blij dat ik eerder boven was.
Dat kan ik je wel vertellen.
Snel maakte ik dat ik wegkwam.
De galerij op.
Zijn ogen voelde ik nog in mijn rug.
Een verbaasde blik waarschijnlijk.
Hij zal wel denken.
Wat heb je toch een rare mensen op de wereld.
Nou, daar kan ik hem helemaal gelijk in geven.