Mijn ome Chris.
Dat is het eerste waar ik aan denk.
Bij kerst.
Dat hij altijd bij ons aan tafel zat.
En niet veel zei.
Hij lachte weleens.
Maar nooit uitbundig.
Althans, ik heb het nooit gezien.
Toch was hij wel iemand.
Naar het schijnt.
Volgens de verhalen.
Gevochten op de Grebbeberg.
Prins Bernhard de hand geschud.
Wilhelmina in de ogen gekeken.
Hij kon een boek schrijven.
Nou overdreef hij soms.
Dat moet ook gezegd.
Hij maakte het altijd mooier.
Maar overdrijven is een vak.
Inmiddels weet ik dat.
Alleen die ome Chris dus.
Dat was er een.
Van wat ik over hem heb horen zeggen.
Toen hij nog bij zijn volle verstand was.
Hij nam het niet zo nauw.
Een schuinsmarcheerder.
Geen rust in zijn lijf natuurlijk.
Nu ik weet wat waar is.
En wat niet.
Nog nooit was hij zo bang geweest, zei hij.
Toen hij als hospik een gewonde kameraad op z’n schouder nam.
De diarree liep langs zijn benen.
Mijn vader gaf mij een knipoog.
Mijn moeder luisterde.
We zaten net aan de rollade.
Maar lekker was anders.
De waarheid als een koe.
