Het is een soort toveren.
De trein nemen zonder doel.
Zomaar ergens heen.
Waar je niet per se hoeft te zijn.
Zo was ik ineens in Nijmegen.
Ik had daar niks te zoeken.
Maar plotseling was ik daar.
Voor ik het wist liep ik er door de stad.
Als een soort museumbezoeker.
Of noem het een filmset.
Iedereen was een figurant.
Deed iets.
Doe maar zo normaal mogelijk, had de regisseur gezegd.
Wees gewoon jezelf.
Nou, en dat deden ze dus.
Ik zag taxichauffeurs.
Sommige zaten in hun auto.
Anderen leunden ertegen.
Of ze maakten een praatje.
Skateboarders, zag ik ook.
Die vond ik een beetje te.
Alsof ze uit New York kwamen.
Maar daar prikte ik zo doorheen.
Ze kwamen gewoon uit Nijmegen.
Of die twee meisjes.
Het leek wel een tweeling.
Ze aten een ijsje op het zelfde moment.
Daar had ik eigenlijk een foto van moeten maken.
Ik was net te laat.
Ze stonden op en verdwenen uit het zicht.
Ik hing nog wat rond op het station.
Zag daar voornamelijk mensen wachten.
Een vrouw zag ik ongeduldig op haar telefoon kijken.
Af en toe keek ze mij aan.
Met een blik of ik soms wat van haar wilde.
Dat wilde ik ook wel.
Alleen daar had ik het lef niet voor.
En ik moest nog oppassen ook bovendien.
Want ik liep in de gaten.
Dadelijk hadden ze mij door.
Dat ik de kunst verstond.
De kunst van het vervelen.
In Nijmegen.
