Het was foute boel.
Maar leuk was het wel.
Feestjes waar punkers kwamen.
En ander gespuis.
Daar kwam je niet.
Zo was de gedachte.
Donkere steegjes.
Vage adresjes.
Brrrr …
Maar ik vond het interessant.
En in mijn hart was ik er misschien ook wel een.
Een anarchist.
Ook al zag ik er dan niet zo uit.
Op het eerste gezicht.
Eerder een beetje studentikoos.
Een pantalon, een wit overhemd.
Keurig zou je zo zeggen.
Een net heerschap.
Dat was ik ook.
Zo deed ik mij voor.
Ik las weleens de krant.
Ik keek actualiteitenprogramma’s.
Ik luisterde naar de radio.
Dan kon je al een aardig eind meekomen.
Je had in ieder geval de klok horen luiden.
Je wist hoe laat het was.
Zonder dat je wist waar de klepel hing.
Ik kwam er mee weg.
En er ook mee binnen.
Dan liep ik ergens.
In zo’n donker steegje dus.
Langs geblindeerde ramen.
Gebarricadeerde deuren.
En hoorde ik boem boem muziek.
Of gillende gitaren.
Hier moest ik zijn, dacht ik dan.
Daar gebeurde het.
En dan kwam ik in zo’n ruimte.
Na eerst door de ballotagecommissie te zijn goedgekeurd.
Want ook in die kringen heb je rangen en standen.
Ook al beweren ze van niet.
Overal heb je fanatiekelingen.
Daar dus ook.
Maar dan speelde ik het spel mee.
Keek ik kwaad.
Of vriendelijk als ze dat liever hadden.
En dan de dansvloer op.
Lekker tegendraads zijn.
De dj overtuigen dat hij echt Stayin’ Alive moest draaien.
Ik viel uit de toon.
Met gel in mijn haar.
Die vouw in mijn broek.
En mijn bordeelsluipers.
Ik pleegde anarchie in een krakersbolwerk.
Dan moest je van goeie huize komen.
Maar ook dat verzon ik.
Ik had de dansvloer voor mijzelf.
Waande mij John Travolta.
Ik was de ware anarchist.
En zij kwamen net kijken.
