Ik had er altijd willen blijven zitten.
In dat Duitse café.
Ik maakte daar een tussenstop.
En voelde mij er welkom.
Waar dat nou aan lag?
Die eigenaar misschien.
Met zijn hangsnor.
Of z’n vrouw.
Die zat te haken.
De mensen die er kwamen.
Een broodje worst wat ik er at.
Het was een bij elkaar geraapt zooitje.
Er zat geen echte samenhang in.
Geen verband.
En toch hoorden we bij elkaar.
Iedereen kende zijn plek.
Zelfs de hond die er rondliep.
Die begreep de bedoeling.
Je kwam er voor je rust.
Niemand zei wat.
Alleen het hoognodige.
Noch einen Kaffee, bitte.
Kann ich noch ein Bier bekommen?
En dan leunde je vervolgens weer achterover.
Keek je naar de autobahn.
Of naar de schilderijtjes die er hingen.
Het bekende zigeunermeisje.
Of dat schip.
Wat nooit was weergekeerd.
Een kalender die er hing.
Uit de vorige eeuw nog.
Posters van evenementen.
Die al voorbij waren.
Familieportretjes.
Een vergeeld fotootje van een bekende zanger.
Wiens naam mij nu even ontschoten is.
Maar het had sfeer.
Zonder dat er over was nagedacht.
De radio die er aanstond.
Nauwelijks te horen.
Opgeschoten jongeren op de parkeerplaats.
Niemand zat elkaar in de weg.
Als een puzzel van duizend stukjes.
Die in één keer gelegd was.
