Ik zat op de tocht.
En ik zei er wat van.
Dat het tochtte.
Zonder het te vragen stond ik op.
En ging nu naast haar zitten.
Misschien dacht ze er iets bij.
Dat ik ’t erom deed.
Dat het helemaal niet tochtte.
Maar dat ik gewoon graag naast haar wilde zitten.
Dat was niet zo.
Het tochtte echt.
Toen ik eenmaal naast haar zat.
Stond zij op.
De dame in kwestie.
Die mij had uitgenodigd.
Dus het ging van haar uit.
Nou ja, haar moeder dan.
Die had de boel aangezwengeld.
Zonder bijbedoelingen overigens.
Ik zou gewoon wat langs komen brengen.
Dus zo gezegd, zo gedaan.
En zij deed open.
Twee meter benen.
En van die donkere kijkers.
Die alles weten.
Die alles al hebben gezien.
Die het wel best vinden zo.
Dus ik ging zitten.
Op de eerste de beste stoel.
Maar het tochtte dus.
Het tochtte echt.
Ik voelde de wind in mijn nek.
