Hij praatte en hij praatte maar.
Aan een stuk door.
Over hoe goed hij was.
Het kon niet op.
In alles was hij de beste.
We kwamen er gewoon niet tussen.
Steeds als ik wat wilde zeggen.
Of die vriend die erbij was.
Dan bleef hij maar doorratelen.
We keken elkaar aan.
Doodmoe werden we ervan.
Dat eigenwijze gezanik.
Hij kletste compleet uit zijn nek.
Hij had nog geen nagel om aan zijn kont te krabben.
En maar vertellen over vroeger.
Over zijn successen.
Wie hij allemaal gekend had.
Met wie hij het had gedaan.
En wij maar knikken.
En tjonge jonge zeggen.
We stonden er zogenaamd van te kijken.
We lieten hem maar.
Wat moesten we anders.
We drongen niet meer tot hem door.
Hij was al te ver heen.
Niet van vandaag op gister.
Het proces is al enige tijd gaande.
Met lede ogen zien we het aan.
Die arme kerel.
Die ooit een vriend was.
En nu voor een malloot wordt uitgemaakt.
Terwijl ik hem zo hoog had zitten.
Hij heeft mij ooit de weg gewezen.
Maar hij is zelf verkeerd gelopen.