Het is toch eng.
In een keer iemand aan je deur.
Wanneer je het niet verwacht.
Ik lag net.
Op de bank weliswaar.
En laat ik eerlijk zijn.
Ik lag niet veel te doen.
Ik lag maar een beetje.
Misschien dat ik een boek las.
Of ik keek op mijn telefoon.
Geen idee wat ik eigenlijk deed?
En toen die bel.
De voordeurdeurbel.
En die is hard.
Ik veerde op.
Nee, ik sprong van mijn bank af.
Zo was het.
Ik snelde naar de deur.
Had zelfs al iets voorbij zien lopen.
Een schim.
Iets wits.
Wie kon dat wezen?
Had ik alles betaald?
Ik had geen rekeningen open staan toch.
Ben ik ergens lid van?
Ja, zo denk je dan.
Eigenlijk een bijna dood ervaring.
Je hele leven schiet door je hoofd.
Dat zeggen ze dan toch.
Ik maakte het veiligheidshaakje los.
En deed de deur van het nachtslot.
Het was overdag, kan je nagaan.
Had ik zelf soms iets te verbergen?
Ik deed vervolgens de deur open.
Een stukje.
Een kiertje maar.
En zag daar die jongen staan.
Een gladde kerel.
Gestoken in een spierwit jasje van een energiebedrijf.
Dat witte wat ik eerder voor een spook had aangezien.
Of iets wat daar voor door moest gaan.
Teleurgesteld keek hij mij aan.
Ik zag hem denken.
Dat is er weer zo een.
Zo’n angsthaas.
Die niks van mij durft aan te nemen.
Hier vang ik bot.
Hij deed nog een poging.
Maar ik liet hem niet eens zijn zin afmaken.
Geen interesse, zei ik heel abrupt.
Als een wantrouwende burger.
Waar er helaas steeds meer van zijn.
Verziekt door AVRO’s Opsporing Verzocht.
En de vrije markt.
Aan mijn deur wordt niet meer gekocht.