Ik at champignonsoep.
Er was niks anders.
Ja, ik had naar de supermarkt gekund.
En dan had ik kunnen kopen wat ik wilde.
Wat een luxe, als je erover nadenkt.
Maar goed, dan had ik weer helemaal naar de supermarkt gemoeten.
Daar moet je dan ook maar net zin in hebben.
En dat had ik niet.
Dus het werd soep uit zo’n zakje.
Champignonsoep.
Waar ik altijd een soort weerstand bij voel.
Dat roept iets in mij op.
Iets wat op getsie lijkt.
Of getverderrie.
Het heeft in ieder geval iets armoedigs.
Zo’n steelpannetje wat je dan tevoorschijn tovert.
De rand van dat zakje wat je eraf scheurt.
En de drab die vervolgens in het pannetje valt.
De helft ernaast natuurlijk.
Door je onoplettendheid.
Je gemakzucht.
Zo van, dat doe ik wel effe.
En dan begint het ergeren.
Het je afvragen.
En dat gaat zelfs zover.
Dat je aan de zin van het bestaan gaat twijfelen.
Wat doe ik hier op aarde.
Doe ik er wel toe.
Of ben ik maar een toevalligheid.
Een van de zovelen.
Een zaadje dat zijn weg probeert te vinden.
Ik zette het pannetje op het vuur.
En wachtte tot het begon te bubbelen.
Wat tevens een onaangenaam geluid gaf.
Associaties maak je dan al snel.
Ik zal ze hier maar achterwege laten.
Ik goot de soep in een kom.
Smeerde wat boterhammen.
Overdacht wederom mijn leven.
Dingen die je maar niet los kan laten.
Die aan je blijven kleven.
Tot in lengte van jaren.
Champignonsoep.
Uit blik of uit een zakje.
Of voor mijn part vers.
Lekker zou ik het nooit gaan vinden.