Naar ’t museum gaan is leuk.
Interessant.
Boeiend.
Noem ’t wat je wil.
Maar.
Er is een maar.
Een voor mij hele duidelijke maar.
Het allerleukste is er de koffie.
Het koffiedrinken in een museum.
Dat slaat alles.
Overtreft alle kunst.
Daar gaat ’t eigenlijk om.
Dat is wat ‘t ‘m doet.
Dat is voor mij in zekere zin de hoofdreden.
Dat is waarom ik graag naar een museum ga.
Natuurlijk.
Van Gogh.
Matisse.
Picasso.
Ze konden wat.
Of ze zagen iets.
Het grotere plaatje.
Maar koffiedrinken.
De boel de boel laten.
Domweg voor je uitstaren.
En denken van:
Kijk mij hier ’s zitten dan.
Een jongen van de gestampte pot.
Lurkend aan een Latte.
Dat deed ’t m.
Van de kunst die ik gezien had, had ik weinig begrepen.
Nagenoeg niets.
Maar ik was de tevreden.
Der zufriedene Mensch.
In het Duits klonk het nog net even wat gewichtiger.
