Tegenover mij.
Van de week.
In de trein.
Een stel.
Perfect geschapen.
Allebei.
Hij keek naar buiten.
Zij naar mij.
Niet lang.
Af en toe ‘s.
Het mocht niet gaan opvallen.
En dat deed ’t ook niet.
Hij had niks door.
En ik deed of ik dat ook niet had.
Of ik met mijn gedachten ergens anders zat.
Bij mijn werk, of …
Whatever.
Voor de situatie deed ’t niet ter zake.
Wat ik dacht.
Ik moest zo normaal mogelijk doen.
Een medepassagier spelen.
Een grijze muis zijn.
Die geen weet had van dingen.
Ik graaide in mijn tas.
Keek op mijn telefoon.
En we speelden een spel.
Het vreemdgaan met ogen.
Wie knipperde was af.
Zijn afwezige blik zei alles.