M’n lampje was stuk.
M’n leeslampje.
En nou kon ik niet meer lezen.
Ja, kon wel.
Maar lastig.
Dan moest het grote licht aan.
En dat was niet gezellig.
Niet gezellig lezen.
Dus ik las niet.
Voor een tijdje.
Ik deed andere dingen.
De radio.
Een podcast.
Of ik lag maar een beetje.
En viel dan uiteindelijk in slaap.
Maar goed.
Leuk was anders.
Echt erg ook niet.
Alleen ik zat er toch mee.
Het speelde door mijn hoofd.
Laat ik het zo zeggen.
Dus op een dag.
Vorige week.
Kreeg ik ’t opeens te kwaad.
Hoewel.
Dat is ook weer overdreven.
Maar ik dacht wel.
Nu is het klaar.
Ik wil weer kunnen lezen.
Alleen die lamp was stuk.
Hij was gevallen.
Zo was ’t ja.
Tijdens het stofzuigen.
Daar ging ie.
Ik stootte ‘m om.
En daar lag ie.
Mijn leeslamp.
Leeslampje.
Een lampje van niks.
Maar onmisbaar.
Wanneer je wilt lezen.
En ik las altijd.
Of althans.
Toch wel vrij frequent.
Dus ik naar de winkel.
Een speciaalzaak.
Met die lamp.
Dat leeslampje.
Ik had ‘m in z’n geheel meegenomen.
In een tas proberen te stoppen.
Wat niet lukte.
Dus nu stak ie eruit.
Zodat iedereen kon zien dat ik met een leeslampje liep.
Nou schaam ik mij daar natuurlijk niet voor.
Dat ik lees.
Alleen waar ik dan wel een beetje mee zat.
Is dat ik dat lampje niet gemaakt kreeg.
Dat iemand anders dat moest doen.
Ah, ik zie het al, zei ie.
Die meneer.
Die mijn leeslampje ging maken.
Het lampje is gebogen.
En nou moet er een nieuwe in.
Een halogeenlampje.
Hij keek mij aan met een blik van, of dat ok was?
En omdat ik mij niet wilde laten kennen.
Dat ik over geld niet in zat.
Zei ik, maak maar.
Maak maar joh.
Maak dat leeslampje maar van me!
Dus hij aan de gang.
In de weer.
Met die leeslamp.
Jaloers was ik hoe hij dat deed.
Hoe hij dat fikste.
Die focus die hij wel had.
En ik niet.
Hoe hij dat glazen plaatje loskreeg.
Waar ik even daarvoor nog mee had lopen pielen.
Met die schroefjes en zo.
Voor hem was ’t een peulenschil.
Dat lampje.
Mijn leeslampje.
Afijn, hij stak de stekker in ’t stopcontact.
En hij deed ‘t.
Hij brandde weer.
Als nooit tevoren.