Het was in haar huis.
Een vriendin was ‘r.
En we zouden wat gaan doen.
Wat wisten we nog niet.
Uitgaan.
Film.
Of bankhangen.
We konden kiezen.
Wat zij wou wist ik wel.
Maar ik wou niet.
Ook niet na aandringen.
Haar vriendin zei kom.
Laten we gaan.
Daar was ik blij om.
Ik vond de situatie ongemakkelijk.
Dat huis.
Die bank, waar zij languit op lag.
Mijn naam die ze noemde.
Constant.
Tot vervelens toe.
Ik voelde druk.
Prestatiedruk.
Daarnaast kon ik ’t niet maken.
Vond ik.
Dit was te makkelijk.
Te goedkoop ook.
Haar vriendin drong aan.
Kom nou!
Laten we gaan!
We daalden de trap af.
Die donkere gang door.
De nacht in.
En ’s ochtends aten we frites.
Haar hele gezicht zat onder de pindasaus.