Ze helt over.
Een vriendin.
Ik merk ‘t.
Stilletjes aan.
Heel geruisloos zie ik haar veranderen.
Haar kleding.
D’r bril.
En die naaldhakken.
Waar ze niet op kan lopen.
Nog steeds niet.
Wat ze ook probeert.
Hoe ze ook haar best doet.
Haar afkomst kan ze niet verloochenen.
Het sijpelt er doorheen.
Ik zeg er niks van.
Maar mijn handen jeuken.
Dan heb ik zin om voor mijn beurt te praten.
Haar op dingen te wijzen.
Ben je nou gelukkig?
Is dit wat je voor ogen had?
Die vergaderingen die je beu bent.
Je collega’s die je wel kan schieten.
Het geëllenboog.
Je staat erbij en kijkt ernaar.
Althans, dat deed je.
Want heel langzaam.
Bijna ongemerkt.
Zie ik je kantelen.
Je praat al anders.
Articuleert opeens.
Kijkt lichtjes op dingen neer.
Zegt zinnen als:
Ik wil niet discrimineren hoor maar …
En ondertussen zet je mensen in een hoek.
Klaag je over klimaatgekkies.
Want jij kon er niet langs met je bolide.
Afijn, ik zag je in een dating-app.
Vrolijke meid zoekt gelijkgestemde man.
Ooit had ’t erin gezeten.
Maar nu drukte ik, met pijn in mijn hart.
Resoluut op ’t kruisje.